In Limburg, in het zuiden van ons land,
waar voor het eerst de echte heuvels komen,
daar stroomt de allermooiste onzer stromen:
de Geul, waar ik mijn hart aan heb verpand.
Men weigert het meandren in te tomen,
maar laat hier de natuur de vrije hand.
Het stroompje kronkelt door het akkerland,
terwijl het bos, de heuvels haar omzomen.
De Moldau is door Smetana beschreven.
Die blauwe Donau, die bracht Strauss tot leven.
De Geul werd nimmer op papier gezet.
Als ik het kon, dan zou ik het proberen.
Ik wil de Geul op andre wijze eren,
en daarom schrijf ik nu dus een sonnet.
27 december 1984
In de herfstvakantie heb ik weer eens langs de Geul gewandeld. Hij is nog net zo mooi als 25 jaar geleden.